OudeMuizenissen
Heedendaagsch Taalgebruyk
HuurMuis

 

Naamvallen en opstaan

 

Waarom krijg ik eigenlijk het apezuur van dat hondenweer? Noch ‘aap’ noch ‘hond’ heeft een dubbel meervoud, op -s én op -en. En in beide gevallen gaat het om vaste uitdrukkingen die allesbehalve letterlijk zijn bedoeld, dus daaraan kan het evenmin liggen. Aan zo’n dubbel meervoud hebben we te danken dat we groentesoep eten en geen groentensoep, maar weer wel tomatensoep. En dat we aan geboortebeperking doen in plaats van aan geboortenbeperking. Het tweede criterium is de reden dat je je huisgenoot via een kattebelletje laat weten dat die de kattenbak eens moet legen. Gooi maar in m’n pet (nou ja, niet die kattenbak graag…) en zoek maar uit.

Waarom krijgt je kind de diagnose ADHD, terwijl je oom is gestorven aan aids? Waarom is dyslexie in bepaalde functies disfunctioneel? En waarom is het iemand de dood injagen, maar iemand de laan uit sturen? Of reïncarnatie maar re-integratie? Als iemand er iets van snapt, is die iemand niet ik. Of anders gezegd: ben ik niet die iemand.

 

Schijnsystematiek

Taal is niet altijd logisch, laat staan consequent, al wil de Taalunie ons met een oerwoud van regels doen geloven dat alles onder controle is. Het vergt een dappere outsider als Bart Chabot om met die schijnsystematiek de vloer aan te vegen. Op tv voelde hij jaren geleden een hoge ome van de taalpolitie aan de tand. Chabot was benieuwd of het zus of zo was. Dat dacht die hoge ome hem wel uit z’n blote hoofd te kunnen vertellen. Niet dus: een punt voor Chabot.

Bovendien is de Taalunie niet de enige met een vinger in de taalpap. Er is ook nog een Genootschap Onze Taal. Beide bewegingen hebben hun eigen aanhang en zijn het lang niet altijd overal over eens. Dat begint al met de spelling: je hebt een Groen en een Wit Boekje. Tel daarbij op dat taal aan verandering onderhevig is en de vaste grond glijdt als los zand onder je voeten weg. De afgelopen decennia is kippeëi van kippe-ei tot kippenei geëvolueerd. Waar je tot voor kort bij een quiz genadeloos werd afgeserveerd op de spelling kwis, worden beide varianten nu goed gerekend. En niemand reageert meer gechoqueerd op de vorm geshockeerd. De standaardtaal past zich aan de status quo aan, heet het dan, al blijft zoiets een kip-eivraagstuk. Ik sluit zelfs niet uit dat sjiek binnenkort weer chic is. Geen wonder dat het Groot Dictee der Nederlandse Taal van de buis is verdwenen.

 

Enkelfout of meerfout

Ook op zinsniveau is de meest voor de hand liggende manier niet altijd de juiste. ‘Zij was een van de weinigen die vanaf het begin heeft geprotesteerd tegen de nieuwe snelweg.’ Klinkt goed, maar het is helaas fout. ‘Geprotesteerd’ slaat terug op ‘weinigen’, en dat is meervoud. Zoiets heet met een duur woord congruentie. Daarom moet het ‘een van de weinigen die vanaf het begin hebben geprotesteerd’ zijn. Het is een beetje verwarrend, want in de volgende zin is het enkelvoud ‘heeft’ wél goed: ‘Als een van de weinigen heeft zij vanaf het begin geprotesteerd.’ Daar hoort ‘heeft’ immers bij ‘zij’.

Een beruchte instinker zijn ‘aantal’ en vergelijkbare termen. In de meeste gevallen krijgen die een enkelvoud. Toen één schaap over de dam was, kwamen er al snel twee schapen bij. En uiteindelijk waagde een tiental schapen de oversteek. Ook bij meervoud is minder soms meer. Daarom is het ook ‘Een aantal kinderen steekt de straat over.’ Maar in een andere zinsconstructie verdient het meervoud de voorkeur: ‘Ik zie een aantal kinderen die de straat oversteken.’ In die laatste zin zou je zelfs ‘die’ kunnen weglaten. Maar dat geeft weer betekenisonderscheid.

Ook de eerdergenoemde instanties kunnen niet altijd uitsluitsel geven. Vaak houden ze het erop dat het allebei mag. Of dat de doorslag geeft of het accent op de individuen ligt dan wel op het collectief. Op het eerste gezicht klinkt dat aannemelijk, want het gaat om kinderen die oversteken, al is het in groepsverband. Maar anderzijds zou ik eerder kiezen voor ‘Ik zie een groep kinderen die de straat oversteekt’ dan voor de meervoudsvariant.

 

Taalgevoel

Tot overmaat van ramp is de eerdergenoemde congruentie niet alleenzaligmakend. Als verkleinwoord is ‘zusje’ onzijdig. Toch is mijn zusje niet van zijn maar van haar fiets gevallen, heeft een hoogleraar taalkunde me ooit geduldig uitgelegd. Want natuurlijk geslacht gaat boven grammaticaal geslacht. Zo natuurlijk is het echter allemaal niet. In Frankrijk bijvoorbeeld liggen de kaarten weer anders. Daar is het altijd son livre, of de eigenaar nu Jan, Marie of mijn fictieve zusje is. Niet de bezitter is leidend, maar het bezit.

Er blijft een groot grijs taalgebied waarbinnen elke keuze arbitrair is. Je kunt die keuze wel beredeneren, maar het blijft een zwaktebod. In gevallen waarin de regeltjes niet direct uitsluitsel geven of het ene regeltje met het andere botst, draait het toch vaak uit op een gevoelskwestie. Daarom spreken we ook van taalgevoel. Taalgevoel komt je niet aangewaaid, maar je kunt het wel leren. Vooral door veel te oefenen en te blijven controleren of je het wel goed doet… voor zolang het duurt.

Gelukkig heeft taalgevoel veel gemeen met zwemmen. Eenmaal aangeleerd, verleer je het nooit. Maar hoe goed je ook bent, soms ga je toch kopje-onder. Zelf mag ik graag denken dat ik veel taalgevoel heb, tot ik weer eens over m’n eigen blunders struikel. Daarom was dat Groot Dictee ook niet aan mij besteed.

 

 

Niets van deze website mag zonder voorafgaande toestemming worden overgenomen of gekopieerd, behoudens het citaatrecht. Bij citaten is bronvermelding verplicht. Vragen? Stuur een mailtje naar: info@oudemuis.nu
Niets van deze website mag zonder voorafgaande toestemming worden overgenomen of gekopieerd, behoudens het citaatrecht. Bij citaten is bronvermelding verplicht. Vragen? Stuur een mailtje naar: info@oudemuis.nu